Over de kermis in de regen

– loop door de regen op de kermis. kijk omhoog. de zweefmolen verheft zich boven je, hoger dan de bomen, hoger dan de huizen, hoger dan de toren, hoger dan je menselijk oog kan zien. de wolken omringen de ronddraaiende stoeltjes. het geluid van de molen wordt overstemd door dreunende muziek en iemand die zingt: i will never let you down! in de verte hoor je mensen schreeuwen, maar waar het geluid vandaan komt is niet duidelijk. de rij voor de zweefmolen lijkt uit dezelfde mensen te bestaan, iedere keer dat je er langs loopt.

– in een kraampje verkopen ze in chocolade gedoopte appels. je vraagt je af wanneer je in amerika beland bent. in een kraampje verkopen ze churro’s. je vraagt je af wanneer je in spanje beland bent. in een kraampje verkopen ze poffertjes. je vraagt je af of je je nog wel in een duidelijk afgebakende dimensie bevind. mensen praten in onverstaanbare talen, en de kermis is niet te vinden op om het even welke map.

– het spookhuis is groter dan dat het er van buitenaf uitziet. de duisternis strekt zich maar uit; het karretje valt en duikt een meter, duikt twee meter, duikt een eeuwigheid. in de kar voor je huilt een man zachtjes, terwijl spinnenwebben je gezicht strelen.

– het waren spinnenwebben. het waren heus spinnenwebben. je weet dat je vannacht niet zult slapen.

– de gemene lach komt niet van het spookhuis. de gemene lach komt nergens vandaan. hij achtervolgt je nog lang nadat je het plein hebt verlaten.

– loop langs de mensen bij het funhuis. loop er nog een keer langs. hun blije gezichten zijn identiek. vanbinnen klinkt gelach en het geluid van dingen die schuren, botsen, vallen.

– om een iPad te winnen, moet je zes zessen gooien. je loopt er snel voorbij. je wilt die iPad niet. je wilt die iPad niet willen. de ogen van de spelmeester volgen je in de menigte.

– er drijven mensen in ballen op het water. ze tollen en glijden en glijden en tollen terwijl anderen toekijken, zwijgend. de jongen in die bal ligt stil; hij kan niet meer. de opzichter geeft zijn bal een zetje terwijl je blijft kijken, gefascineerd, zwijgend. er staat geen rij. als je doorloopt, realiseer je je dat dat is omdat er geen in- noch uitgang is.

Advertenties

Wat We Vrezen In Boshotels

– Het hotel staat trots en statig aan de bosrand. het stormt er vandaag; de takken kreunen in de wind en werpen grijpgrage schaduwen op de muren van je kamer. je proeft de zomer in de lucht, vermengd met een scherpe geur en een smaak die je niet kunt plaatsen. de vogels krijsen, onophoudelijk en vijandig. soms, als je je inspant, denk je nog iets anders te kunnen horen: een ijle melodie, een spookachtig gezang. misschien zijn het de mensen die feestvieren op het terras verderop. misschien is het een eenzaam meisje dat langs de paden loopt, op zoek naar verse bloemen en zichzelf. misschien. misschien ook niet.

– Je kunt die nacht slecht slapen, onder het skeletachtige gewei dat boven je bed hangt. je wilt het licht aandoen, maar doet het niet; wanneer je aan het touwtje naast je bed trekt, zal er licht komen uit de oogkassen van het beest, dat alles grilliger maakt, en de schaduwen dieper. wanneer je aan het touwtje trekt, voel je je niet langer alleen. je ligt in duisternis en stilte, luisterend naar het hoefgetrappel buiten. je vraagt je af waar de paardenstallen zijn.

– De gangen lijken leeg en eindeloos; het tapijt dempt je voetstappen. het tapijt dempt alles. je realiseert je pas later, veel later, dat je het geluid van de vogels niet meer kon horen, dat het geruis van de storm was weggevallen, dat je jezelf nauwelijks kon horen denken. het slechte lamplicht doet pijn aan je ogen. misschien had je meer moeten slapen. misschien had je niet alleen door deze gangen moeten lopen.

– Soms krijg je een glimp mee van de kamers van andere gasten. ze zien er precies zo uit als de jouwe. er is niets raars aan de gasten. er is niets raars aan de gasten. als er wel iets raars aan ze is, maakt dat niets uit. ze slapen. je wendt je ogen af.

– ‘Kies maar iets uit,’ zegt de familie bemoedigend. ‘er zit vast wel iets lekkers bij.’ je kijkt op de menukaart. je weet niet wat de helft van deze dingen is. je wilt niet weten wat de helft van deze dingen is. ‘probeer de vis,’ tipt de ober, ‘ze is verser dan vers. wil je zien hoe vers onze vis is?’ je zegt nee. ze rijden je toch het karretje voor en tillen de deksel van een bord. ‘kijk,’ zegt de ober. er kruipt en kronkelt iets op het bord. het is geen vis. je bestelt de parelhoen met cantharellen. wanneer je het karretje weer ziet, zijn de borden leeg.

– Het zwembad is leeg. het zwembad is altijd leeg. ‘niet waar,’ zegt tante, ‘ik was er gisteravond nog, toen waren er mensen. het was erg ongemakkelijk, want ze maakten geen van allen geluid. het voelde vreemd om te praten en te lachen, de kinderen dobberden maar stilletjes in een hoekje. ach, je weet hoe vreemd hotelbaden kunnen zijn.’ och ja, dat weet je. toch is het zwembad leeg iedere keer dat je er binnenloopt. bij het omkleden voel je je ongemakkelijk, de haren op je huid prikkelend; de volgende keer kleed je je om in je hotelkamer. je handdoeken zijn nooit waar je ze hebt neergelegd.

Met Passie Bereid

Toen ik de deur van het appartement opendeed, sloeg de kenmerkende geur me al tegemoet. Zoet en warm en huiselijk, alsof ik zomaar een stap verkeerd had gezet en tien jaar achteruit in de tijd was geslingerd, naar huis en mijn moeder en versgebakken koekjes en cake uit de oven. Ik sloot mijn ogen en inhaleerde diep tot de geur alle andere gedachten uit mijn hoofd verdreven had.

‘Sophia,’ zei ik, met nog altijd gesloten ogen, ‘wat zit er in de oven?’

Haar stem dreef naar me toe vanuit wat ik vermoedde dat de deuropening naar de keuken was. ‘frambozen cheesecake brownies. Luister, Anna, wil je – ‘

‘Nee,’ vertelde ik haar. Ik opende mijn ogen, zette mijn tas op de grond en begon mijn jas uit te trekken, zonder de keukendeur een blik waardig te gunnen. Dat was ook niet nodig. Ik kon Sophia zo al voor me zien, en telde de seconden af totdat ze een hernieuwde poging zou doen.

Drie… twee… een…

‘Oké, echt, ik weet dat je aan het diëten bent, maar Anna, ik -‘

En we hebben een winnaar.

‘Ik ben niet “aan het diëten”, ‘ zei ik, terwijl ik me wegdraaide van de kapstok en haar recht aankeek. Precies zoals ik al dacht: ze droeg haar foeilelijke, knalblauwe schort met daarop de tekst baking is not what I do, it’s who I am, dat onder de bloem zat; er zaten roze en bruine vlekken op haar gezicht; haar haar stond alle kanten uit; en haar groengrijze ogen fonkelden op die manier die niets met vrolijkheid of levenslust te maken had, zoals de blos op haar wangen ook nauwelijks nog een gezonde blos genoemd kon worden. De vingers van haar rechterhand klemden zich zo krampachtig om een spatel dat mijn knokkels er pijn van gingen doen als ik er te lang naar keek, maar het was beter om daar naar te kijken dan naar de smekende, wanhopige blik in haar ogen, alsof mijn medewerking van levensbelang was. Alsof de wereld zou vergaan als ik niet van haar nieuwste bakproject zou proeven en mijn onafhankelijke opinie zou offeren.

‘Ik ben niet aan het diëten,’ zei ik weer, alsof herhaling de boodschap wel zou overbrengen, ‘ik ben op een dieet. Een Soph-dieet, om precies te zijn. Het is heel eenvoudig. Om ervoor te zorgen dat ik niet doodga aan een hartaanval, hoef ik alleen maar te weigeren wat jij me iedere dag probeert te voeren. Sterker nog, ik help ons er allebei mee. Als jij geen taste-testers meer hebt, zul je misschien eindelijk ophouden ‘het recept’ te proberen te vinden, wat dat dan ook moge betekenen, en dan gaan we geen van beiden dood aan een hartaanval, of die nou wordt veroorzaakt door een teveel aan vet en suiker, of door te struikelen over een beslagkom. Klinkt dat goed of klinkt dat goed?’

Er trok een spiertje bij Sophia’s linkerooghoek.

‘Dat dacht ik,’ zei ik terwijl ik mijn laarzen uitschopte.

‘Je begrijpt het niet,’ zei Sophia, en god wat klonk ze hulpeloos. De knokkels rond de spatel werden nog iets witter, en ik kon het niet helpen, ik moest er wel naar kijken. ‘Het is — ik moet het vinden. Ik moet iets vinden. Dat moet, ik — ik ben zo dichtbij, Anna, ik weet het gewoon, ik kan het bijna – ‘

‘Proeven?’ Ik lachte om mijn eigen grapje, maar alles wat Sophia deed was nog een spiertje laten trekken. ‘Dat zeg je nu al zo lang, Soph, en ik voel met je mee, echt waar, maar misschien wordt het tijd om te accepteren dat alles al een keer bedacht is. Ik denk dat wij daar allebei gelukkiger van worden. En dan maak je gewoon een lekkere taart voor mijn verjaardag, goed? Of twee. Ik zorg wel dat ik genoeg visite uitnodig. Een regenboogcake is goed genoeg, weet je. Of een cheesecake. Met chocola. Weet ik veel.’ Ik begon naar de trap te lopen en deed mijn best de hardnekkige geur van chocola en frambozen te negeren.

‘Fuck you,’ zei Sophia, en op de een of andere manier leek het anders dan de talloze eerdere keren dat we dat tegen elkaar hadden gezegd. Haar lippen vormden een dunne streep. ‘Ik vind wel iemand anders, dan. Als jij weigert behulpzaam te zijn.’

‘Whatever,’ zei ik. De keukendeur sloeg zo hard dicht dat de muren ermee leken te schudden.

 

Ik wist niet precies waardoor ik wakker was geworden, maar de digitale klok vertelde me dat het 03:13 was, het was op de een of andere manier niet zo donker als het zou moeten zijn, en in de lucht hing een zweem van kaneel en kruiden.

Ik realiseerde me vaaglijk dat het licht van buiten mijn kamerdeur kwam, en dat ik mijn kamergenote geagiteerd in zichzelf hoorde praten.

Jezus Christ, Sophia.

Ik zuchtte diep, trok de dekens over mezelf heen, maar nu ik de moeite had genomen om echt wakker te worden en dingen uit mijn omgeving te verwerken was ik dan ook klaarwakker, en het licht en Sophia’s gemompel en de godverdomde appeltaartgeur leken plotseling onoverkomelijke obstakels voor het weer in slaap komen, zo fel en luid en godver godver godver.

Ik graaide vermoeid naar mijn sloffen en sleepte mezelf naar de keuken.

Soph zat op de grond met haar gezicht in haar armen. Ze zat met haar rug naar het aanrecht, alsof ze dat probeerde uit te sluiten, alsof ze zich wilde verstoppen voor de spectaculair uitziende taart die achter haar omhoog torende, alsof hij haar wilde opeten in plaats van andersom.

‘Hey, Soph,’ zei ik zachtjes.

Haar schouders schudden.

‘Het kan niet,’ mompelde ze, gesmoord van achter haar armen en knieën. ‘Het is onmogelijk. Alles bestaat al. Alles is al bedacht. Alles bestaat al, Anna.‘ Ze keek op en haar hele lichaam trilde, maar haar ogen waren droog; het was alsof ze onder spanning stond. ‘Alles bestaat al, Anna!’

‘Shh.’ Ik hurkte naast haar neer en stak mijn hand naar haar uit; ze trok zich terug alsof die haar gebrand had. ‘Het is onmogelijk,’ fluisterde ze.

‘Het is oké,’ zei ik. ‘Ga slapen, Soph.”

‘Het is niet oké! Het zal nooit oké zijn! Er is niets meer!’

‘Die appeltaart ziet er prachtig uit,’ zei ik met geforceerde kalmte. ‘Ik weet zeker dat hij heel bijzonder zal zijn. Wat voor ingrediënten heb je gebruikt?’

‘Ingrediënten…’ Haar ogen werden glazig. Ze zag eruit alsof ze koorts had; ik nam me voor om zo gauw het kon haar temperatuur op te meten. Niet nu. Morgen. Als ik me kon herinneren waar de thermometer was. Als mijn hoofd niet vol watten zat.

‘Ingrediënten,’ mompelde ze, en het was alsof ze was vergeten dat ik in de kamer was. Haar ogen keken dwars door me heen.

‘Ingrediënten,’ beaamde ik. ‘Morgen kun je het me vertellen. Misschien dat ik zelfs een stukje proef.’ Met een beetje geluk herinnerde ze zich deze conversatie niet eens. ‘Maar nu is het tijd om naar bed te gaan, okay? Morgen is er weer een dag. Een nieuw begin, right?’

‘Ja,’ zei Sophia en ze glimlachte plotseling naar me, met onverwachte helderheid. ‘Een nieuw begin.’

 

Vanaf die dag bakte Sophia nooit meer iets, maar haar schort zat nog altijd onder de vlekken.

Ze kookte.

Ze glimlachte.

Ze straalde.

 

‘Kijk,’ zei Sophia tegen een stukje metaal voor het raam, net naast me, ‘ik heb wat nieuws gevonden. Bedacht. Ik heb wat nieuws bedacht. Ik kan het je nu niet laten zien, want ze hebben het afgenomen. Weggepakt, bedoel ik. Maar het bestaat nu. In mijn hoofd. Hier.’ Ze tikte met een lange, groezelige vingernagel tegen haar slaap. ‘Dat kunnen ze me niet afnemen. Is alleen van mij.’

Er kwam even wat helderheid in haar blik terwijl ze de man bij de deur uitdagend aankeek.

Ik klemde mijn lippen op elkaar en probeerde niet naar haar ogen te kijken. Haar grote, grijze ogen.

Ze twinkelden.

‘Alleen van mij,’ zei Sophia.

 

Ik heb me nog vaak afgevraagd wat ik fout heb gedaan die avond. Ze hebben me verteld dat het antwoord niets is. Dat het niet uitmaakt.

Het achtervolgt me, in mijn stille appartement, zonder bakgeuren.

Ik kan het antwoord bijna proeven.

Scheikunde

Ooit, op een van de dagen die ik me voornamelijk maar vaag herinner, in de grijze blur van voorbijgaande schoolweken, liet onze scheikundeleraar ons pannenkoeken bakken.

Ik weet nog goed hoe vreemd sommige mensen (ik zal geen namen noemen) daar van op keken. Het was zoiets onkarakteristieks, dachten ze, van onze strikte scheikundeleraar die, alle blije proefjes op de Open Dag ten spijt, geen moment voorbij liet gaan om ons eraan te herinneren dat scheikunde Serious Business was, geen afleidingen toegestaan. Dat hij ons een keer per jaar die ouwe, roestige branders zou laten gebruiken om zoiets frivools als regenboogkleurige pannenkoeken op te bakken (het gebruik van kleurstof was de aanleiding tot veel hilariteit), ging sommige van mijn klasgenoten, of misschien hun ouders, de pet te boven. Niet dat iemand klaagde. Afgezien van een paar sneue types die nog niet eens wisten hoe ze hun brander aan moesten zetten, en een beetje hulpeloos stonden te wachten tot iemand uit de groep medelijden met ze kreeg en ze uit hun lijden verloste, had de klas de grootste lol. Men genoot er in het bijzonder van om de rest van de school jaloers te maken, wat gemakkelijk was met de pannenkoekenlucht die zich verheugd door de deur haastte en zich over de gang verspreidde om zich verleidelijk om ongelukkige voorbijgangers te wikkelen, die verlangend het lokaal in keken en zich afvroegen of ze misschien een witte jas konden stelen en er zo ongemerkt tussen konden glippen. Niet dat dat plan veel kans van slagen had. En ik kon ook hen, de niet-scheikundigen, zo horen denken: waarom, hm? Pannenkoeken bakken met scheikunde? Het moest toch niet gekker worden!

Ze hadden ongelijk, natuurlijk. Bakken heeft alles met scheikunde te maken. Met enig nadenkwerk kunnen de meeste mensen dat ook wel bedenken, maar mensen denken niet al te graag na. Het irriteerde me, vroeger, die neiging om de ogen te sluiten voor dat wat men niet wil zien, of niet verwacht te zien, of niet is gewend te zien, of simpelweg niet belangrijk acht. Used to drive me mad. Maar nu niet meer. Zie je, er is iets wat ik zelf heel lang niet heb gezien, wat mensen niet wilden dat ik zag. Het is me allemaal helder nu.

Maar ik dwaal af. Een beetje, misschien. Niet teveel. Terug naar de scheikundeles.

Ik was niet één van de hulpelozen, natuurlijk. Ik had die brander aan kunnen zetten met mijn ogen dicht, met mijn tenen, met mijn gedachten. The Force. Telekinese. Whatever.

Ik houd van scheikunde, zie je. En van bakken in het bijzonder.

Er is werkelijk niet veel verschil. Gooi de juiste stofjes bij elkaar, voer de juiste procedure uit, boem. Niet letterlijk natuurlijk, in de meeste gevallen. Soms wel. Net magie. Verander de ene stof in de andere, zomaar, het proces onmogelijk te keren. De formule voor goud hebben we nooit gevonden, maar goud is dan ook niet eetbaar.

Natrium + chloride = natriumchloride = keukenzout
Dood + Doder = eetbaar

Magisch, toch?

Onze scheikundeleraar kon het ook zo mooi vertellen, al dit soort tegenstrijdigheden. Het was fantastisch. Ik denk er nog vaak aan als ik in de keuken sta. Zoals nu.
Het is wel een beetje een aparte keuken. Dit is niets zoals ik gewend ben, en alles wat ik had verwacht, en toch ook niet. Het zou je verbazen om te weten hoeveel van die onschuldige charme die ze op tv projecteren nep is. Of misschien ook wel niet. Ik heb altijd al vermoed dat er iets sinisters achter de tandpastaglimlach van die presentator zat, achter de Vrolijke Vriendschappelijke Kandidaten, de krokodillentranen als er weer iemand uit ligt. Talentenjachten voor jonge zangers voeden zich op de vernietigende blikken en kritieken, de publieke vernedering, en hier doen ze het tegenovergestelde. Niet dat het veel uitmaakt.

Waarom moet het eigenlijk allemaal beoordeeld worden, huh? Wat is het nut ervan? In ieder geval zijn de talentenjachten eerlijk. Ik houd van suiker, eerlijk waar, maar als ik hier nog één hap van moet eten word ik misselijk.

Dat is wat ik dacht terwijl ik naar de suikerroze bakvormen en presentaties keek, op mijn buik voor de tv in onze huiskamer, en het is niet veranderd sinds ik een rigoureuze beslissing maakte, niet tijdens de voorrondes, niet tijdens mijn gesprekken met de anderen, en niet nu, terwijl ik met grote zorgvuldigheid scheikunde toepas op het hoogste niveau, geen ruimte voor vergissingen. Het zal ook niet veranderen. Maar de misselijkheid is minimaal nu, want meer dan bij iets anders bevinden mijn gedachten zich bij de overwinning die ik bijna kan proeven, scherp als hete peper, binnen handbereik als het keukenkastje toen ik eindelijk groot genoeg was om erbij te kunnen.

De klok tikt, maar ik voel een rust zoals ik die niet gevoeld heb sinds neef K. de nieuwgebakken taart in mijn gezicht duwde en lachte en lachte.

Ik hoop dat hij kijkt. Ik hoop dat ze allemaal kijken.

De tijd hier is voor mij buitengewoon leerzaam geweest. Zie je, wanneer je het programma kijkt zul je niet snel denken dat er ongure praktijken plaatsvinden op de achtergrond, want dat is niet wat de camera ons toont, en de camera liegt nooit, of wel soms? De camera vertelt de waarheid. De camera toont ons wat we willen zien.

Het is zo makkelijk om voor de camera te liegen.

De presentatrice telt af met enthousiasme. Ik zie dat ze geniet van onze paniek. Nu ja. Hun paniek, niet de mijne. Het is zo stil in mijn hoofd, het is fantastisch, waarom heb ik dit niet eerder bedacht? Iedereen kijkt naar elkaar met afgunst en haat, als ze niet volledig zijn gefocust op hun tot mislukken gedoemde creaties. Ik voel me mijlen van hen verwijderd. Er staan sterrenstelsels tussen ons in, lichtjaren. Ik voel me een zwart gat, ze zullen me niet zien aankomen. Bijna klaar.

Mijn scheikundeleraar vertelde ons ooit een amusant verhaal over hoe gemakkelijk het zou zijn om een dodelijke gasbom in elkaar te knutselen op het metrostation. Iedere zichzelf respecterende scheikundige zou het kunnen, zei hij, met de passie van een echte vakman. Ik ben er zeker van dat hij een geheim tweede leven leidt als James Bond Supervillain. Ik meen het. Ik heb op zijn computer ingebroken, die bevat verscheidene documenten betreffende wereldovername. Maar ik dwaal af.

Ze zijn aan het testen nu. De dikke man glimlacht als een boer met kiespijn en zegt iets passief-aggressiefs waar ik mij niet voor interesseer. Mijn handen voelen zweterig nu, maar mijn hart is kalm. Breekt het zweet de zwarte gaten uit wanneer een ongelukkige komeet richting hun zwaartekracht komt? Ik vraag me af hoe ik eruit zie, in mijn zwarte shirt met Cercei’s beeltenis. Ergens flikkert er een lamp, en ik voel me onmiddellijk kalmer. Goed. Ik ben het spook dat ik altijd was. Ze zullen me nooit zien aankomen. Ze zullen me nooit zien aankomen.

De lamp flikkert, en flikkert, en dan loop ik naar voren. In mijn ooghoeken geeft de lamp het voorgoed op. Ik glimlach.

Ik ben dol op scheikunde.

Het Zwarte Scherm

Het monster brulde en schudde zijn gewonde kop heen en weer. Woedend keek het Liza aan en stormde toen weer op haar af. Liza glimlachte en vuurde nog een lichtflits op het groene beest af, genietend toekijkend hoe het schreeuwend ter aarde stortte. Plotseling werd haar aandacht getrokken door een beweging rechts van haar. Een ander beest sprong op haar af en slokte haar in één hap op.

“Verdorie!” gromde Liza.

Het scherm werd zwart.

Ze zuchtte en leunde mokkend achterover in haar stoel. Altijd, maar dan ook altijd ging ze weer game-over bij dit stukje. Gek werd ze ervan. Maar eens, eens zou ze het halen, zwoer ze bij zichzelf. Die stomme monsters hadden het nakijken. Zij, Liza Janssen, was heerseres over de games!

Ze besloot eerst maar eens wat te drinken te pakken voor ze zich weer op de griezels stortte. Terwijl ze een glas cola inschonk, mijmerde ze over hoe geweldig het was om alleen thuis te zijn, en net zoveel te kunnen computeren als ze maar wilde. En lekker veel cola te drinken, bedacht ze grijnzend. Met het overvolle glas in haar hand liep ze terug naar de computer.

Dat was vreemd. Het leek wel alsof die uit zichzelf verder was gegaan. Ze herinnerde zich toch echt dat ze was gestopt nadat ze game-over ging, en normaal gesproken zou er dan de vraag verschijnen of ze opnieuw wilde beginnen. Maar nu sprongen de monsters al weer vrolijk over het scherm.

Met een geïrriteerde frons zette ze haar cola weg en plofte weer in de bureaustoel. Haar computer deed wel vaker raar, maar dit was echt het toppunt!

Liza tuurde naar het scherm, en besloot om maar gewoon weer verder te gaan. Ze had waarschijnlijk toch op één of andere knop gedrukt of zo. Het was een wonder dat ze nog niet game-over was gegaan.

Algauw zat ze weer lekker in het spel, en kwam ze verder dan ooit. Toen ze een nieuwe wereld vrijspeelde, juichte ze. Het ging geweldig!
Net toen ze bezig was met het verslaan van een hele meute lijken, die massaal uit hun graven gekropen kwamen, kwam er iets nieuws in beeld, een verdacht normaal uitziend mens, die haar plots recht aankeek.
Kippenvel liep over Liza’s armen, maar toen het figuur opeens hardop begon te praten viel ze echt bijna van haar stoel.

“Liza Janssen…”

Rustig, zei ze bij zichzelf. Ze had natuurlijk haar naam ingevuld voor ze begon, toch?

“Ik weet wat je denkt” zei de man. “Ik weet alles van je.”

Dit hadden ze er natuurlijk in geprogrammeerd. Een verrassing voor degene die het tot hier wist te schoppen.

“Kijk” fluisterde de man en plots veranderde de omgeving waarin hij stond.

Gefascineerd keek Liza, die had besloten dat het hele gedoe gewoon een leuke afwisseling in het spel was, naar… Naar…

Op dat moment werd het scherm zwart.

“Liza! Ik heb je nou al duizend keer gezegd dat je moet afsluiten! We gaan eten!”
Verdwaasd keek ze op van het scherm. Daar stond haar moeder, die juist haar hand wegtrok van de uitknop. Liza keek weer naar het scherm.
“U wordt afgemeld. Uw instellingen worden opgeslagen.”

—-

Het was niet eerlijk, dacht Liza, nijdig kauwend op haar gehaktbal. Waarom moest haar moeder nou weer zo vroeg thuiskomen? Ze was zo in haar spel verdiept geweest dat ze niets had gemerkt- Niets van het binnenkomen, niets van de etensgeuren, zelfs haar naam die geroepen werd niet. En toen had haar moeder de computer zomaar uitgezet! Het was gewoon…

Liza Janssen”

Ze verstijfde, haar vork nog midden in de lucht. Dit kon niet, dit was simpelweg onmogelijk!

Kom naar de begraafplaats”

Dit was niet aan het gebeuren. Haar fantasie was op hol geslagen, dat was duidelijk. Ze hoorde geen stem in haar hoofd van een gamefiguur die haar vertelde dat ze naar het kerkhof moest gaan… Belachelijk.

“Liza…”

Toch klonk het behoorlijk echt. Was ze gek aan het worden? Ze hoopte van niet.

“Kom naar het kerkhof…”

Ze moest erachter zien te komen. Als er inderdaad iemand op haar wachtte, was dat in ieder geval het bewijs dat ze niet gek aan het worden was. En ergens vond ze het ook wel spannend.
Liza schoof haar bord van zich af. “Mag ik van tafel?”

Buiten was het guur en het begon al te schemeren. Liza huiverde en trok haar jas nog wat dichter om zich heen. Waarom was ze hier ook al weer op ingegaan? Toch was er iets dat haar verder trok. De onweerstaanbare roep van het geheimzinnige, misschien…

Daar was het kerkhof. Het grote, smeedijzeren hek ging krakend open- Typisch, bedacht Liza. Dit was het moment waarop ze eigenlijk terug zou moeten keren, snel terug naar huis voordat de griezels uit hun graven zouden komen. Maar ze ging door. Zij was Liza Janssen en ze kon alles aan!

Er hing in ieder geval geen mist, dacht Liza terwijl ze op een bankje ging zitten. Maar wat nu?

“Ik wist dat je zou komen.”

Geschrokken keek ze in de richting van de stem. Daar kwam een man aangelopen, waar ze onmiddellijk kippenvel van kreeg. Hij leek als twee druppels water op de man uit het spel!

“Ha… Hallo” stamelde ze. Wat moest ze verder nog zeggen?

“Kom mee” zei de man en stak een lange, bleke hand uit. “Dit keer zal niemand ons tegenhouden.”

Hoe wist hij dat?

“Waar… Waarheen?” klappertandde Liza. Normaal gesproken zou ze er niet over gepiekerd hebben met onbekenden mee te gaan, maar deze man had iets… Magisch?

“Naar de andere kant van het scherm” zei de man simpelweg en pakte haar hand.
Op dat moment was alles verdwenen.

Thomas vond het maar niets. Volgens Liza was dit absoluut een geweldig spel, dat hij beslist eens moest spelen, maar hij begreep niet wat er nou zo leuk was aan telkens weer dezelfde monsters neerhalen met felgekleurde lichtflitsen, en tegen de tijd dat hij überhaupt doorhad wat hij moest doen, was hij alweer game-over. De rode letters op het scherm leken hem uit te lachen, en geïrriteerd drukte hij weer op “opnieuw”. Hij moest toch meer punten kunnen halen?

Terwijl hij zo speelde en wat door de wereld rondliep –alle gevaren zo veel mogelijk ontwijkend- werd zijn aandacht getrokken door één van de figuren. Het was een meisje, opvallend gewoontjes tussen al die rare wezens, hoewel ze ook lichtflitsen leek af te vuren, net als hij. Maar dat was niet hetgeen waar de haartjes in zijn nek van overeind gingen staan. Hij kende dat meisje.
Het was Liza.

Hoe kwam ze daar? Dit spel was geen multiplayer, daar was hij zeker van. Bovendien, je kon helemaal geen avatar maken die precies op jou leek. Het was alsof ze ín het spel zat, fysiek, met lange blonde haren, diepblauwe ogen en al. Zelfs haar gezichtsuitdrukking klopte- het was niet het lege, uitdrukkingsloze gezicht van het spel, maar hij zag het bekende fronsrimpeltje, het gezicht dat ze altijd trok als ze zich ergens hard op concentreerde. Ze haalde een monster neer en lachte triomfantelijk- En hoewel hij zeker wist dat hij het geluid had uitgezet kon hij haar lach horen, het klonk precies zoals ze altijd lachte, de lach die zijn hart sneller deed kloppen. De lach die hem had overgehaald om dit spel te spelen…

Ze liep weg nu, en hij haastte zich achter haar aan. Ze lachte niet meer, maar keek verdrietig. Ze haalde iets uit haar zak… Een foto. Het was er een van haar en haar beste vriendin, samen, lachend… Een traan viel op het plaatje. Ze wilde naar huis…

“Liza…” fluisterde Thomas. Dus daarom had ze zo lang niets van zich laten horen deze vakantie. “Liza…” En toen harder, alsof hij haar riep: “Liza! LIIZAAA!!!”

“LIIZAAA!”

Riep daar iemand haar naam? Verward keek ze om zich heen. Niemand. Maar wacht- Wat deed die deur daar? Die was er daarnet nog niet, dat wist ze zeker. Nou verschenen er wel vaker zomaar deuren in het spel, maar dit was toch wel erg toevallig. En die stem… Ze kende die stem. Was dat niet de stem van…
“Thomas?” fluisterde ze onzeker.

Geen antwoord. Ze had het zich vast verbeeld, omdat ze aan thuis dacht. Thomas was die jongen waar ze al tijden verliefd op was… Maar ze had het hem nooit durven vertellen. Nu voelde ze haar verliefdheid weer opvlammen, het deed haar bijna fysiek pijn, omdat ze hem nooit meer zou zien… Nooit meer… Alleen maar door haar verlangen naar het bovennatuurlijke…

De deur stond er nog steeds. Hij leek anders dan de andere deuren in het spel- Geen oude kasteelpoort, geen felle kleuren of fonkelende sterren… Gewoon een deur, zoals zij ze thuis ook hadden. Thuis…

In een opwelling liep Liza naar voren. Ze pakte de deurkruk- Hij voelde aangenaam en vertrouwd, geen verzengende vlammen, geen ijzige kou. Langzaam drukte Liza hem omlaag en duwde de deur open.

Een fel licht verblindde haar, en even was ze bang dat ze zich vergist had, dat dit gewoon bij het spel hoorde, gewoon de zoveelste nieuwe wereld was vol monsters die ze moest verslaan… Ze knipperde met haar ogen, en deed haar best niet te huilen. Huilen had geen zin…

“Liza?”
Ze knipperde opnieuw. Langzaam trokken de vlekken voor haar ogen weg, en ze merkte dat ze zich in een kamer bevond. Het volgende wat ze zag waren twee benen. En toen ze opkeek…
“Thomas!”

Hij was het, met zijn warrige zwarte haar en donkere ogen, hij keek haar verbijsterd aan, en liep toen zo snel als hij kon naar haar toe.
Ze zag nog zijn geschokte blik, voor ze flauwviel in zijn armen.

“Ik kan het niet geloven” zei Thomas.

“Ik weet het” beaamde Liza, frummelend aan een koortje. “Het ís ook tamelijk ongelofelijk.”

Ze zaten samen achter Thomas’ laptop, met z’n tweeën op één stoel. Het scherm was zwart, en bleef zwart.

——————————-
Geschreven: Januari 2011

De Hond Van Heleen

Het beloofde een mooie zomerse dag te worden.
Maar toen Heleen de zon door haar oogleden heen zag schijnen en langzaam wakker begon te worden in haar luxe appartement, wist ze instinctief dat er iets mis was. Met haar slaperige hoofd duurde het alleen even voor ze besefte wat er precies mis was.

Toen ze Paddy zijn eten bracht, wist ze het echter snel genoeg.

Een gevoel van paniek overspoelde Heleen toen ze besefte waarom ze zo aangenaam wakker was geworden. Normaal gesproken wekte het geblaf van haar nieuwe hond haar tegen etenstijd op de vroege morgen – en dat was precies wat er vandaag ontbrak. Paddy was weg. En waar Heleen ook zocht, ze kon hem nergens vinden.

“Nee.”
“Hoezo ‘nee’?” Verontwaardigd keek Heleen de man, die tegenover haar onderuitgezakt in zijn leunstoel zat, aan. “Hoe bedoel je, nee?”
“Het lijkt me dat u, met uw hoog opleidingsniveau, de betekenis van het woord ‘nee’ kent,” zei Sherlock Holmes verveeld. “Maar om het nog even voor u uit te spellen: nee, ik ga uw verdwenen hond niet zoeken. Vraag het de brandweer, zou ik zo zeggen.”
“Hij zit heus niet in een boom, dat is meer iets voor katten en ik- wacht even. Hoe weet je mijn opleidingsniveau? Dat heb ik niet verteld,” zei Heleen fronsend.

“U bent toch arts? Of nee, was, obviously.”
“Hoe-?”

“U heeft modder onder uw nagels en blaadjes in uw haar, niet de moeite genomen om dat te fixen – veel werk in de tuin, niet alleen vandaag. Veel vrije tijd, dus, wat ook ondersteund wordt door het tijdstip waarop uw hier bent gekomen. U woont hier, maar werkt niet in het dichtstbijzijnde ziekenhuis, dat zou John weten. Het is natuurlijk een mogelijkheid dat u ergens anders werkt, maar in combinatie met het voorgaande is het waarschijnlijker dat u met pensioen gegaan bent. Oh, hoe weet ik over het arts-zijn? Denkt u dat ik een arts niet herken terwijl ik een flat met één deel?” Hij knikte richting John, die er nogal ongemakkelijk uitzag. Hij grijnsde een beetje bij het zien van Heleen’s verbijsterde blik.

“Maar nogmaals, nee. Ik heb wel betere dingen aan mijn hoofd. De verdwenen hond van een vroegere arts? Dull.”

“Voor je het vraagt – ja, zo is hij altijd,” zei John verontschuldigend toen hij haar naar buiten liet.
En daar moest ze het mee doen.

Toen ze thuiskwam, zat er een brief in haar brievenbus.

Aan de verzorgster van Paddy, verkondigde de onheilspellende mix van uit kranten geknipte letters op het papiertje.
Met trillende vingers vouwde ze het open.

Snapshot_20141012

Ik heb Paddy in mijn macht. Het bewijs vindt u bijgesloten.
Als u Paddy ooit nog levend terug wil zien, en niet alleen in onderdeeltjes, dan hierbij mijn eisen –

 

De rest van de brief kon Heleen niet lezen, doordat haar zicht vertroebeld werd door tranen. Het enige wat ze kon ontwaren was de afsluiting van de brief: een grote, opzichtige letter M.

De envelop bevatte een bloederig, driehoekig voorwerp dat verdacht veel op een hondenoor leek.

 

“U weer? Ik dacht dat ik gezegd had dat u uw eigen hond moest zoeken?”
“Maar dit keer heb ik een brief gekregen,” zei Heleen met wanhopige stem. “Een dreigbrief. Met het afgesneden oor van Paddy!”
“Wat vervelend nou. Misschien wordt het dan tijd om naar de politie te stappen in plaats van de brandweer.”
“Je begrijpt het niet- een oor… En dan die dreigbrief…. Afgesloten met de letter M…!”
“De M zegt u?” Voor het eerst leek het gezicht van de man in de deuropening een andere emotie te vertonen dan pure verveling. Hij stak zijn hand uit. “Laat zien.”

“Sherlock, misschien kunnen we beter… ergens gaan zitten…” opperde John voorzichtig. Hij beantwoordde Heleen’s verwarde blik met een gelaten schouderophalen.

“Wat jij wilt.”

Eenmaal terug in de woonkamer gaf Heleen haar brief, inclusief oor, aan Sherlock af, die het vel papier gretig openvouwde en het bloederige object schijnbaar negeerde.

Zijn ogen vlogen over de regels en uiteindelijk zuchtte hij diep.

“Wat? Heb je iets gevonden?” vroeg Heleen vol spanning.

“Genoeg,” zei Sherlock verveeld.

“De letters komen uit de 7days -22 augustus 2014- wat een krant is voor jongeren dus de dader is hoogstwaarschijnlijk tussen de twaalf en zestien jaar oud. Eerder ouder dan jonger gezien het gebrek aan spelfouten in moeilijker woorden verderop in de brief. Het oor is overduidelijk geen oor maar een paddenstoel die komt uit het grasveldje drie straten verderop bij de High Street waar ik al had opgemerkt dat er bij mijn ochtendwandeling die dag een paddenstoel miste. De ketchup-“
“Welke ketchup?” onderbrak Heleen hem.

Sherlock rolde met zijn ogen. “De ketchup op het oor, of dacht u soms dat het echt bloed was? De ketchup komt uit…” Hij veegde wat van het rode spul op met zijn wijsvinger en likte het af. “De lokale supermarkt bij de High Street, natuurlijk. Conclusie de dader is een meisje van een jaar of zestien wonende in High Street 19. Boring.”

Dit alles zei hij zonder adem te halen en heel snel achter elkaar.
“Wacht even,” zei Heleen. “Hoe weet je dat het een meisje is? En dat de letters uit de 7days komen?”
Sherlock tikte verveeld op de dreigbrief. “Vertelt u mij eens, mevrouw van Basten, hoeveel jongens van zestien kent u die een appeltaart, uit eigen tuin en keuken, als losgeld zouden eisen? En wat de letters betreft, dit vond ik in de afvalbak naast het bankje waarnaast een paddenstoel miste.” Hij hield een vrolijk gekleurde krant omhoog waar duidelijk in geknipt was.

“Juist,” zei Heleen enigszins beduusd en ze vroeg zich af waarom ze in ’s hemelsnaam nog niet had opgemerkt dat het losgeld een appeltaart was. En waarom ze zich niet eerder had gerealiseerd dat de naam van de ontvoerder wel eens Merel zou kunnen zijn en dat dat haar nichtje was.

Sherlock gooide haar de krant toe. “Genoeg saaie zaken voor vandaag. John, laat jij haar even uit?”

De zon scheen in haar gezicht en de vogels floten vrolijk terwijl ze, met een verse appeltaart, naar het huis van haar nichtje liep en ze voelde zich lichter dan ze zich ooit gevoeld had.

Ja, het was beslist een mooie zomerdag.