Wat We Vrezen In Boshotels

– Het hotel staat trots en statig aan de bosrand. het stormt er vandaag; de takken kreunen in de wind en werpen grijpgrage schaduwen op de muren van je kamer. je proeft de zomer in de lucht, vermengd met een scherpe geur en een smaak die je niet kunt plaatsen. de vogels krijsen, onophoudelijk en vijandig. soms, als je je inspant, denk je nog iets anders te kunnen horen: een ijle melodie, een spookachtig gezang. misschien zijn het de mensen die feestvieren op het terras verderop. misschien is het een eenzaam meisje dat langs de paden loopt, op zoek naar verse bloemen en zichzelf. misschien. misschien ook niet.

– Je kunt die nacht slecht slapen, onder het skeletachtige gewei dat boven je bed hangt. je wilt het licht aandoen, maar doet het niet; wanneer je aan het touwtje naast je bed trekt, zal er licht komen uit de oogkassen van het beest, dat alles grilliger maakt, en de schaduwen dieper. wanneer je aan het touwtje trekt, voel je je niet langer alleen. je ligt in duisternis en stilte, luisterend naar het hoefgetrappel buiten. je vraagt je af waar de paardenstallen zijn.

– De gangen lijken leeg en eindeloos; het tapijt dempt je voetstappen. het tapijt dempt alles. je realiseert je pas later, veel later, dat je het geluid van de vogels niet meer kon horen, dat het geruis van de storm was weggevallen, dat je jezelf nauwelijks kon horen denken. het slechte lamplicht doet pijn aan je ogen. misschien had je meer moeten slapen. misschien had je niet alleen door deze gangen moeten lopen.

– Soms krijg je een glimp mee van de kamers van andere gasten. ze zien er precies zo uit als de jouwe. er is niets raars aan de gasten. er is niets raars aan de gasten. als er wel iets raars aan ze is, maakt dat niets uit. ze slapen. je wendt je ogen af.

– ‘Kies maar iets uit,’ zegt de familie bemoedigend. ‘er zit vast wel iets lekkers bij.’ je kijkt op de menukaart. je weet niet wat de helft van deze dingen is. je wilt niet weten wat de helft van deze dingen is. ‘probeer de vis,’ tipt de ober, ‘ze is verser dan vers. wil je zien hoe vers onze vis is?’ je zegt nee. ze rijden je toch het karretje voor en tillen de deksel van een bord. ‘kijk,’ zegt de ober. er kruipt en kronkelt iets op het bord. het is geen vis. je bestelt de parelhoen met cantharellen. wanneer je het karretje weer ziet, zijn de borden leeg.

– Het zwembad is leeg. het zwembad is altijd leeg. ‘niet waar,’ zegt tante, ‘ik was er gisteravond nog, toen waren er mensen. het was erg ongemakkelijk, want ze maakten geen van allen geluid. het voelde vreemd om te praten en te lachen, de kinderen dobberden maar stilletjes in een hoekje. ach, je weet hoe vreemd hotelbaden kunnen zijn.’ och ja, dat weet je. toch is het zwembad leeg iedere keer dat je er binnenloopt. bij het omkleden voel je je ongemakkelijk, de haren op je huid prikkelend; de volgende keer kleed je je om in je hotelkamer. je handdoeken zijn nooit waar je ze hebt neergelegd.

Advertenties

Met Passie Bereid

Toen ik de deur van het appartement opendeed, sloeg de kenmerkende geur me al tegemoet. Zoet en warm en huiselijk, alsof ik zomaar een stap verkeerd had gezet en tien jaar achteruit in de tijd was geslingerd, naar huis en mijn moeder en versgebakken koekjes en cake uit de oven. Ik sloot mijn ogen en inhaleerde diep tot de geur alle andere gedachten uit mijn hoofd verdreven had.

‘Sophia,’ zei ik, met nog altijd gesloten ogen, ‘wat zit er in de oven?’

Haar stem dreef naar me toe vanuit wat ik vermoedde dat de deuropening naar de keuken was. ‘frambozen cheesecake brownies. Luister, Anna, wil je – ‘

‘Nee,’ vertelde ik haar. Ik opende mijn ogen, zette mijn tas op de grond en begon mijn jas uit te trekken, zonder de keukendeur een blik waardig te gunnen. Dat was ook niet nodig. Ik kon Sophia zo al voor me zien, en telde de seconden af totdat ze een hernieuwde poging zou doen.

Drie… twee… een…

‘Oké, echt, ik weet dat je aan het diëten bent, maar Anna, ik -‘

En we hebben een winnaar.

‘Ik ben niet “aan het diëten”, ‘ zei ik, terwijl ik me wegdraaide van de kapstok en haar recht aankeek. Precies zoals ik al dacht: ze droeg haar foeilelijke, knalblauwe schort met daarop de tekst baking is not what I do, it’s who I am, dat onder de bloem zat; er zaten roze en bruine vlekken op haar gezicht; haar haar stond alle kanten uit; en haar groengrijze ogen fonkelden op die manier die niets met vrolijkheid of levenslust te maken had, zoals de blos op haar wangen ook nauwelijks nog een gezonde blos genoemd kon worden. De vingers van haar rechterhand klemden zich zo krampachtig om een spatel dat mijn knokkels er pijn van gingen doen als ik er te lang naar keek, maar het was beter om daar naar te kijken dan naar de smekende, wanhopige blik in haar ogen, alsof mijn medewerking van levensbelang was. Alsof de wereld zou vergaan als ik niet van haar nieuwste bakproject zou proeven en mijn onafhankelijke opinie zou offeren.

‘Ik ben niet aan het diëten,’ zei ik weer, alsof herhaling de boodschap wel zou overbrengen, ‘ik ben op een dieet. Een Soph-dieet, om precies te zijn. Het is heel eenvoudig. Om ervoor te zorgen dat ik niet doodga aan een hartaanval, hoef ik alleen maar te weigeren wat jij me iedere dag probeert te voeren. Sterker nog, ik help ons er allebei mee. Als jij geen taste-testers meer hebt, zul je misschien eindelijk ophouden ‘het recept’ te proberen te vinden, wat dat dan ook moge betekenen, en dan gaan we geen van beiden dood aan een hartaanval, of die nou wordt veroorzaakt door een teveel aan vet en suiker, of door te struikelen over een beslagkom. Klinkt dat goed of klinkt dat goed?’

Er trok een spiertje bij Sophia’s linkerooghoek.

‘Dat dacht ik,’ zei ik terwijl ik mijn laarzen uitschopte.

‘Je begrijpt het niet,’ zei Sophia, en god wat klonk ze hulpeloos. De knokkels rond de spatel werden nog iets witter, en ik kon het niet helpen, ik moest er wel naar kijken. ‘Het is — ik moet het vinden. Ik moet iets vinden. Dat moet, ik — ik ben zo dichtbij, Anna, ik weet het gewoon, ik kan het bijna – ‘

‘Proeven?’ Ik lachte om mijn eigen grapje, maar alles wat Sophia deed was nog een spiertje laten trekken. ‘Dat zeg je nu al zo lang, Soph, en ik voel met je mee, echt waar, maar misschien wordt het tijd om te accepteren dat alles al een keer bedacht is. Ik denk dat wij daar allebei gelukkiger van worden. En dan maak je gewoon een lekkere taart voor mijn verjaardag, goed? Of twee. Ik zorg wel dat ik genoeg visite uitnodig. Een regenboogcake is goed genoeg, weet je. Of een cheesecake. Met chocola. Weet ik veel.’ Ik begon naar de trap te lopen en deed mijn best de hardnekkige geur van chocola en frambozen te negeren.

‘Fuck you,’ zei Sophia, en op de een of andere manier leek het anders dan de talloze eerdere keren dat we dat tegen elkaar hadden gezegd. Haar lippen vormden een dunne streep. ‘Ik vind wel iemand anders, dan. Als jij weigert behulpzaam te zijn.’

‘Whatever,’ zei ik. De keukendeur sloeg zo hard dicht dat de muren ermee leken te schudden.

 

Ik wist niet precies waardoor ik wakker was geworden, maar de digitale klok vertelde me dat het 03:13 was, het was op de een of andere manier niet zo donker als het zou moeten zijn, en in de lucht hing een zweem van kaneel en kruiden.

Ik realiseerde me vaaglijk dat het licht van buiten mijn kamerdeur kwam, en dat ik mijn kamergenote geagiteerd in zichzelf hoorde praten.

Jezus Christ, Sophia.

Ik zuchtte diep, trok de dekens over mezelf heen, maar nu ik de moeite had genomen om echt wakker te worden en dingen uit mijn omgeving te verwerken was ik dan ook klaarwakker, en het licht en Sophia’s gemompel en de godverdomde appeltaartgeur leken plotseling onoverkomelijke obstakels voor het weer in slaap komen, zo fel en luid en godver godver godver.

Ik graaide vermoeid naar mijn sloffen en sleepte mezelf naar de keuken.

Soph zat op de grond met haar gezicht in haar armen. Ze zat met haar rug naar het aanrecht, alsof ze dat probeerde uit te sluiten, alsof ze zich wilde verstoppen voor de spectaculair uitziende taart die achter haar omhoog torende, alsof hij haar wilde opeten in plaats van andersom.

‘Hey, Soph,’ zei ik zachtjes.

Haar schouders schudden.

‘Het kan niet,’ mompelde ze, gesmoord van achter haar armen en knieën. ‘Het is onmogelijk. Alles bestaat al. Alles is al bedacht. Alles bestaat al, Anna.‘ Ze keek op en haar hele lichaam trilde, maar haar ogen waren droog; het was alsof ze onder spanning stond. ‘Alles bestaat al, Anna!’

‘Shh.’ Ik hurkte naast haar neer en stak mijn hand naar haar uit; ze trok zich terug alsof die haar gebrand had. ‘Het is onmogelijk,’ fluisterde ze.

‘Het is oké,’ zei ik. ‘Ga slapen, Soph.”

‘Het is niet oké! Het zal nooit oké zijn! Er is niets meer!’

‘Die appeltaart ziet er prachtig uit,’ zei ik met geforceerde kalmte. ‘Ik weet zeker dat hij heel bijzonder zal zijn. Wat voor ingrediënten heb je gebruikt?’

‘Ingrediënten…’ Haar ogen werden glazig. Ze zag eruit alsof ze koorts had; ik nam me voor om zo gauw het kon haar temperatuur op te meten. Niet nu. Morgen. Als ik me kon herinneren waar de thermometer was. Als mijn hoofd niet vol watten zat.

‘Ingrediënten,’ mompelde ze, en het was alsof ze was vergeten dat ik in de kamer was. Haar ogen keken dwars door me heen.

‘Ingrediënten,’ beaamde ik. ‘Morgen kun je het me vertellen. Misschien dat ik zelfs een stukje proef.’ Met een beetje geluk herinnerde ze zich deze conversatie niet eens. ‘Maar nu is het tijd om naar bed te gaan, okay? Morgen is er weer een dag. Een nieuw begin, right?’

‘Ja,’ zei Sophia en ze glimlachte plotseling naar me, met onverwachte helderheid. ‘Een nieuw begin.’

 

Vanaf die dag bakte Sophia nooit meer iets, maar haar schort zat nog altijd onder de vlekken.

Ze kookte.

Ze glimlachte.

Ze straalde.

 

‘Kijk,’ zei Sophia tegen een stukje metaal voor het raam, net naast me, ‘ik heb wat nieuws gevonden. Bedacht. Ik heb wat nieuws bedacht. Ik kan het je nu niet laten zien, want ze hebben het afgenomen. Weggepakt, bedoel ik. Maar het bestaat nu. In mijn hoofd. Hier.’ Ze tikte met een lange, groezelige vingernagel tegen haar slaap. ‘Dat kunnen ze me niet afnemen. Is alleen van mij.’

Er kwam even wat helderheid in haar blik terwijl ze de man bij de deur uitdagend aankeek.

Ik klemde mijn lippen op elkaar en probeerde niet naar haar ogen te kijken. Haar grote, grijze ogen.

Ze twinkelden.

‘Alleen van mij,’ zei Sophia.

 

Ik heb me nog vaak afgevraagd wat ik fout heb gedaan die avond. Ze hebben me verteld dat het antwoord niets is. Dat het niet uitmaakt.

Het achtervolgt me, in mijn stille appartement, zonder bakgeuren.

Ik kan het antwoord bijna proeven.