Over de kermis in de regen

– loop door de regen op de kermis. kijk omhoog. de zweefmolen verheft zich boven je, hoger dan de bomen, hoger dan de huizen, hoger dan de toren, hoger dan je menselijk oog kan zien. de wolken omringen de ronddraaiende stoeltjes. het geluid van de molen wordt overstemd door dreunende muziek en iemand die zingt: i will never let you down! in de verte hoor je mensen schreeuwen, maar waar het geluid vandaan komt is niet duidelijk. de rij voor de zweefmolen lijkt uit dezelfde mensen te bestaan, iedere keer dat je er langs loopt.

– in een kraampje verkopen ze in chocolade gedoopte appels. je vraagt je af wanneer je in amerika beland bent. in een kraampje verkopen ze churro’s. je vraagt je af wanneer je in spanje beland bent. in een kraampje verkopen ze poffertjes. je vraagt je af of je je nog wel in een duidelijk afgebakende dimensie bevind. mensen praten in onverstaanbare talen, en de kermis is niet te vinden op om het even welke map.

– het spookhuis is groter dan dat het er van buitenaf uitziet. de duisternis strekt zich maar uit; het karretje valt en duikt een meter, duikt twee meter, duikt een eeuwigheid. in de kar voor je huilt een man zachtjes, terwijl spinnenwebben je gezicht strelen.

– het waren spinnenwebben. het waren heus spinnenwebben. je weet dat je vannacht niet zult slapen.

– de gemene lach komt niet van het spookhuis. de gemene lach komt nergens vandaan. hij achtervolgt je nog lang nadat je het plein hebt verlaten.

– loop langs de mensen bij het funhuis. loop er nog een keer langs. hun blije gezichten zijn identiek. vanbinnen klinkt gelach en het geluid van dingen die schuren, botsen, vallen.

– om een iPad te winnen, moet je zes zessen gooien. je loopt er snel voorbij. je wilt die iPad niet. je wilt die iPad niet willen. de ogen van de spelmeester volgen je in de menigte.

– er drijven mensen in ballen op het water. ze tollen en glijden en glijden en tollen terwijl anderen toekijken, zwijgend. de jongen in die bal ligt stil; hij kan niet meer. de opzichter geeft zijn bal een zetje terwijl je blijft kijken, gefascineerd, zwijgend. er staat geen rij. als je doorloopt, realiseer je je dat dat is omdat er geen in- noch uitgang is.

Advertenties

Schimmeltuintjes

Sommige dingen achtervolgen je nog lang
nadat de uiterste houdbaarheidsdatum is verstreken:
relaties, vriendschappen, dode popsterren,
soms open je je koelkast en kijkt verbaasd
naar die oude container, wat zit er nog in,
het antwoord is meestal: iets groens dat je zo snel mogelijk
weg wilt gooien in de dichtstbijzijnde container, of misschien de verste,
je adem inhoudend in de idiote overtuiging dat er anders sporen binnenkomen;
soms is die overtuiging nog niet zo idioot.

Soms groeit het onkruid in je tuin zo hoog dat je eraan gehecht raakt
je eigen kleine oerwoud. van sommige dingen vergeet je
dat je ze ooit niet had, en ooit niet meer zult hebben;
sommige dingen groeien op je.

Wat We Vrezen In Boshotels

– Het hotel staat trots en statig aan de bosrand. het stormt er vandaag; de takken kreunen in de wind en werpen grijpgrage schaduwen op de muren van je kamer. je proeft de zomer in de lucht, vermengd met een scherpe geur en een smaak die je niet kunt plaatsen. de vogels krijsen, onophoudelijk en vijandig. soms, als je je inspant, denk je nog iets anders te kunnen horen: een ijle melodie, een spookachtig gezang. misschien zijn het de mensen die feestvieren op het terras verderop. misschien is het een eenzaam meisje dat langs de paden loopt, op zoek naar verse bloemen en zichzelf. misschien. misschien ook niet.

– Je kunt die nacht slecht slapen, onder het skeletachtige gewei dat boven je bed hangt. je wilt het licht aandoen, maar doet het niet; wanneer je aan het touwtje naast je bed trekt, zal er licht komen uit de oogkassen van het beest, dat alles grilliger maakt, en de schaduwen dieper. wanneer je aan het touwtje trekt, voel je je niet langer alleen. je ligt in duisternis en stilte, luisterend naar het hoefgetrappel buiten. je vraagt je af waar de paardenstallen zijn.

– De gangen lijken leeg en eindeloos; het tapijt dempt je voetstappen. het tapijt dempt alles. je realiseert je pas later, veel later, dat je het geluid van de vogels niet meer kon horen, dat het geruis van de storm was weggevallen, dat je jezelf nauwelijks kon horen denken. het slechte lamplicht doet pijn aan je ogen. misschien had je meer moeten slapen. misschien had je niet alleen door deze gangen moeten lopen.

– Soms krijg je een glimp mee van de kamers van andere gasten. ze zien er precies zo uit als de jouwe. er is niets raars aan de gasten. er is niets raars aan de gasten. als er wel iets raars aan ze is, maakt dat niets uit. ze slapen. je wendt je ogen af.

– ‘Kies maar iets uit,’ zegt de familie bemoedigend. ‘er zit vast wel iets lekkers bij.’ je kijkt op de menukaart. je weet niet wat de helft van deze dingen is. je wilt niet weten wat de helft van deze dingen is. ‘probeer de vis,’ tipt de ober, ‘ze is verser dan vers. wil je zien hoe vers onze vis is?’ je zegt nee. ze rijden je toch het karretje voor en tillen de deksel van een bord. ‘kijk,’ zegt de ober. er kruipt en kronkelt iets op het bord. het is geen vis. je bestelt de parelhoen met cantharellen. wanneer je het karretje weer ziet, zijn de borden leeg.

– Het zwembad is leeg. het zwembad is altijd leeg. ‘niet waar,’ zegt tante, ‘ik was er gisteravond nog, toen waren er mensen. het was erg ongemakkelijk, want ze maakten geen van allen geluid. het voelde vreemd om te praten en te lachen, de kinderen dobberden maar stilletjes in een hoekje. ach, je weet hoe vreemd hotelbaden kunnen zijn.’ och ja, dat weet je. toch is het zwembad leeg iedere keer dat je er binnenloopt. bij het omkleden voel je je ongemakkelijk, de haren op je huid prikkelend; de volgende keer kleed je je om in je hotelkamer. je handdoeken zijn nooit waar je ze hebt neergelegd.

Met Passie Bereid

Toen ik de deur van het appartement opendeed, sloeg de kenmerkende geur me al tegemoet. Zoet en warm en huiselijk, alsof ik zomaar een stap verkeerd had gezet en tien jaar achteruit in de tijd was geslingerd, naar huis en mijn moeder en versgebakken koekjes en cake uit de oven. Ik sloot mijn ogen en inhaleerde diep tot de geur alle andere gedachten uit mijn hoofd verdreven had.

‘Sophia,’ zei ik, met nog altijd gesloten ogen, ‘wat zit er in de oven?’

Haar stem dreef naar me toe vanuit wat ik vermoedde dat de deuropening naar de keuken was. ‘frambozen cheesecake brownies. Luister, Anna, wil je – ‘

‘Nee,’ vertelde ik haar. Ik opende mijn ogen, zette mijn tas op de grond en begon mijn jas uit te trekken, zonder de keukendeur een blik waardig te gunnen. Dat was ook niet nodig. Ik kon Sophia zo al voor me zien, en telde de seconden af totdat ze een hernieuwde poging zou doen.

Drie… twee… een…

‘Oké, echt, ik weet dat je aan het diëten bent, maar Anna, ik -‘

En we hebben een winnaar.

‘Ik ben niet “aan het diëten”, ‘ zei ik, terwijl ik me wegdraaide van de kapstok en haar recht aankeek. Precies zoals ik al dacht: ze droeg haar foeilelijke, knalblauwe schort met daarop de tekst baking is not what I do, it’s who I am, dat onder de bloem zat; er zaten roze en bruine vlekken op haar gezicht; haar haar stond alle kanten uit; en haar groengrijze ogen fonkelden op die manier die niets met vrolijkheid of levenslust te maken had, zoals de blos op haar wangen ook nauwelijks nog een gezonde blos genoemd kon worden. De vingers van haar rechterhand klemden zich zo krampachtig om een spatel dat mijn knokkels er pijn van gingen doen als ik er te lang naar keek, maar het was beter om daar naar te kijken dan naar de smekende, wanhopige blik in haar ogen, alsof mijn medewerking van levensbelang was. Alsof de wereld zou vergaan als ik niet van haar nieuwste bakproject zou proeven en mijn onafhankelijke opinie zou offeren.

‘Ik ben niet aan het diëten,’ zei ik weer, alsof herhaling de boodschap wel zou overbrengen, ‘ik ben op een dieet. Een Soph-dieet, om precies te zijn. Het is heel eenvoudig. Om ervoor te zorgen dat ik niet doodga aan een hartaanval, hoef ik alleen maar te weigeren wat jij me iedere dag probeert te voeren. Sterker nog, ik help ons er allebei mee. Als jij geen taste-testers meer hebt, zul je misschien eindelijk ophouden ‘het recept’ te proberen te vinden, wat dat dan ook moge betekenen, en dan gaan we geen van beiden dood aan een hartaanval, of die nou wordt veroorzaakt door een teveel aan vet en suiker, of door te struikelen over een beslagkom. Klinkt dat goed of klinkt dat goed?’

Er trok een spiertje bij Sophia’s linkerooghoek.

‘Dat dacht ik,’ zei ik terwijl ik mijn laarzen uitschopte.

‘Je begrijpt het niet,’ zei Sophia, en god wat klonk ze hulpeloos. De knokkels rond de spatel werden nog iets witter, en ik kon het niet helpen, ik moest er wel naar kijken. ‘Het is — ik moet het vinden. Ik moet iets vinden. Dat moet, ik — ik ben zo dichtbij, Anna, ik weet het gewoon, ik kan het bijna – ‘

‘Proeven?’ Ik lachte om mijn eigen grapje, maar alles wat Sophia deed was nog een spiertje laten trekken. ‘Dat zeg je nu al zo lang, Soph, en ik voel met je mee, echt waar, maar misschien wordt het tijd om te accepteren dat alles al een keer bedacht is. Ik denk dat wij daar allebei gelukkiger van worden. En dan maak je gewoon een lekkere taart voor mijn verjaardag, goed? Of twee. Ik zorg wel dat ik genoeg visite uitnodig. Een regenboogcake is goed genoeg, weet je. Of een cheesecake. Met chocola. Weet ik veel.’ Ik begon naar de trap te lopen en deed mijn best de hardnekkige geur van chocola en frambozen te negeren.

‘Fuck you,’ zei Sophia, en op de een of andere manier leek het anders dan de talloze eerdere keren dat we dat tegen elkaar hadden gezegd. Haar lippen vormden een dunne streep. ‘Ik vind wel iemand anders, dan. Als jij weigert behulpzaam te zijn.’

‘Whatever,’ zei ik. De keukendeur sloeg zo hard dicht dat de muren ermee leken te schudden.

 

Ik wist niet precies waardoor ik wakker was geworden, maar de digitale klok vertelde me dat het 03:13 was, het was op de een of andere manier niet zo donker als het zou moeten zijn, en in de lucht hing een zweem van kaneel en kruiden.

Ik realiseerde me vaaglijk dat het licht van buiten mijn kamerdeur kwam, en dat ik mijn kamergenote geagiteerd in zichzelf hoorde praten.

Jezus Christ, Sophia.

Ik zuchtte diep, trok de dekens over mezelf heen, maar nu ik de moeite had genomen om echt wakker te worden en dingen uit mijn omgeving te verwerken was ik dan ook klaarwakker, en het licht en Sophia’s gemompel en de godverdomde appeltaartgeur leken plotseling onoverkomelijke obstakels voor het weer in slaap komen, zo fel en luid en godver godver godver.

Ik graaide vermoeid naar mijn sloffen en sleepte mezelf naar de keuken.

Soph zat op de grond met haar gezicht in haar armen. Ze zat met haar rug naar het aanrecht, alsof ze dat probeerde uit te sluiten, alsof ze zich wilde verstoppen voor de spectaculair uitziende taart die achter haar omhoog torende, alsof hij haar wilde opeten in plaats van andersom.

‘Hey, Soph,’ zei ik zachtjes.

Haar schouders schudden.

‘Het kan niet,’ mompelde ze, gesmoord van achter haar armen en knieën. ‘Het is onmogelijk. Alles bestaat al. Alles is al bedacht. Alles bestaat al, Anna.‘ Ze keek op en haar hele lichaam trilde, maar haar ogen waren droog; het was alsof ze onder spanning stond. ‘Alles bestaat al, Anna!’

‘Shh.’ Ik hurkte naast haar neer en stak mijn hand naar haar uit; ze trok zich terug alsof die haar gebrand had. ‘Het is onmogelijk,’ fluisterde ze.

‘Het is oké,’ zei ik. ‘Ga slapen, Soph.”

‘Het is niet oké! Het zal nooit oké zijn! Er is niets meer!’

‘Die appeltaart ziet er prachtig uit,’ zei ik met geforceerde kalmte. ‘Ik weet zeker dat hij heel bijzonder zal zijn. Wat voor ingrediënten heb je gebruikt?’

‘Ingrediënten…’ Haar ogen werden glazig. Ze zag eruit alsof ze koorts had; ik nam me voor om zo gauw het kon haar temperatuur op te meten. Niet nu. Morgen. Als ik me kon herinneren waar de thermometer was. Als mijn hoofd niet vol watten zat.

‘Ingrediënten,’ mompelde ze, en het was alsof ze was vergeten dat ik in de kamer was. Haar ogen keken dwars door me heen.

‘Ingrediënten,’ beaamde ik. ‘Morgen kun je het me vertellen. Misschien dat ik zelfs een stukje proef.’ Met een beetje geluk herinnerde ze zich deze conversatie niet eens. ‘Maar nu is het tijd om naar bed te gaan, okay? Morgen is er weer een dag. Een nieuw begin, right?’

‘Ja,’ zei Sophia en ze glimlachte plotseling naar me, met onverwachte helderheid. ‘Een nieuw begin.’

 

Vanaf die dag bakte Sophia nooit meer iets, maar haar schort zat nog altijd onder de vlekken.

Ze kookte.

Ze glimlachte.

Ze straalde.

 

‘Kijk,’ zei Sophia tegen een stukje metaal voor het raam, net naast me, ‘ik heb wat nieuws gevonden. Bedacht. Ik heb wat nieuws bedacht. Ik kan het je nu niet laten zien, want ze hebben het afgenomen. Weggepakt, bedoel ik. Maar het bestaat nu. In mijn hoofd. Hier.’ Ze tikte met een lange, groezelige vingernagel tegen haar slaap. ‘Dat kunnen ze me niet afnemen. Is alleen van mij.’

Er kwam even wat helderheid in haar blik terwijl ze de man bij de deur uitdagend aankeek.

Ik klemde mijn lippen op elkaar en probeerde niet naar haar ogen te kijken. Haar grote, grijze ogen.

Ze twinkelden.

‘Alleen van mij,’ zei Sophia.

 

Ik heb me nog vaak afgevraagd wat ik fout heb gedaan die avond. Ze hebben me verteld dat het antwoord niets is. Dat het niet uitmaakt.

Het achtervolgt me, in mijn stille appartement, zonder bakgeuren.

Ik kan het antwoord bijna proeven.

Scheikunde

Ooit, op een van de dagen die ik me voornamelijk maar vaag herinner, in de grijze blur van voorbijgaande schoolweken, liet onze scheikundeleraar ons pannenkoeken bakken.

Ik weet nog goed hoe vreemd sommige mensen (ik zal geen namen noemen) daar van op keken. Het was zoiets onkarakteristieks, dachten ze, van onze strikte scheikundeleraar die, alle blije proefjes op de Open Dag ten spijt, geen moment voorbij liet gaan om ons eraan te herinneren dat scheikunde Serious Business was, geen afleidingen toegestaan. Dat hij ons een keer per jaar die ouwe, roestige branders zou laten gebruiken om zoiets frivools als regenboogkleurige pannenkoeken op te bakken (het gebruik van kleurstof was de aanleiding tot veel hilariteit), ging sommige van mijn klasgenoten, of misschien hun ouders, de pet te boven. Niet dat iemand klaagde. Afgezien van een paar sneue types die nog niet eens wisten hoe ze hun brander aan moesten zetten, en een beetje hulpeloos stonden te wachten tot iemand uit de groep medelijden met ze kreeg en ze uit hun lijden verloste, had de klas de grootste lol. Men genoot er in het bijzonder van om de rest van de school jaloers te maken, wat gemakkelijk was met de pannenkoekenlucht die zich verheugd door de deur haastte en zich over de gang verspreidde om zich verleidelijk om ongelukkige voorbijgangers te wikkelen, die verlangend het lokaal in keken en zich afvroegen of ze misschien een witte jas konden stelen en er zo ongemerkt tussen konden glippen. Niet dat dat plan veel kans van slagen had. En ik kon ook hen, de niet-scheikundigen, zo horen denken: waarom, hm? Pannenkoeken bakken met scheikunde? Het moest toch niet gekker worden!

Ze hadden ongelijk, natuurlijk. Bakken heeft alles met scheikunde te maken. Met enig nadenkwerk kunnen de meeste mensen dat ook wel bedenken, maar mensen denken niet al te graag na. Het irriteerde me, vroeger, die neiging om de ogen te sluiten voor dat wat men niet wil zien, of niet verwacht te zien, of niet is gewend te zien, of simpelweg niet belangrijk acht. Used to drive me mad. Maar nu niet meer. Zie je, er is iets wat ik zelf heel lang niet heb gezien, wat mensen niet wilden dat ik zag. Het is me allemaal helder nu.

Maar ik dwaal af. Een beetje, misschien. Niet teveel. Terug naar de scheikundeles.

Ik was niet één van de hulpelozen, natuurlijk. Ik had die brander aan kunnen zetten met mijn ogen dicht, met mijn tenen, met mijn gedachten. The Force. Telekinese. Whatever.

Ik houd van scheikunde, zie je. En van bakken in het bijzonder.

Er is werkelijk niet veel verschil. Gooi de juiste stofjes bij elkaar, voer de juiste procedure uit, boem. Niet letterlijk natuurlijk, in de meeste gevallen. Soms wel. Net magie. Verander de ene stof in de andere, zomaar, het proces onmogelijk te keren. De formule voor goud hebben we nooit gevonden, maar goud is dan ook niet eetbaar.

Natrium + chloride = natriumchloride = keukenzout
Dood + Doder = eetbaar

Magisch, toch?

Onze scheikundeleraar kon het ook zo mooi vertellen, al dit soort tegenstrijdigheden. Het was fantastisch. Ik denk er nog vaak aan als ik in de keuken sta. Zoals nu.
Het is wel een beetje een aparte keuken. Dit is niets zoals ik gewend ben, en alles wat ik had verwacht, en toch ook niet. Het zou je verbazen om te weten hoeveel van die onschuldige charme die ze op tv projecteren nep is. Of misschien ook wel niet. Ik heb altijd al vermoed dat er iets sinisters achter de tandpastaglimlach van die presentator zat, achter de Vrolijke Vriendschappelijke Kandidaten, de krokodillentranen als er weer iemand uit ligt. Talentenjachten voor jonge zangers voeden zich op de vernietigende blikken en kritieken, de publieke vernedering, en hier doen ze het tegenovergestelde. Niet dat het veel uitmaakt.

Waarom moet het eigenlijk allemaal beoordeeld worden, huh? Wat is het nut ervan? In ieder geval zijn de talentenjachten eerlijk. Ik houd van suiker, eerlijk waar, maar als ik hier nog één hap van moet eten word ik misselijk.

Dat is wat ik dacht terwijl ik naar de suikerroze bakvormen en presentaties keek, op mijn buik voor de tv in onze huiskamer, en het is niet veranderd sinds ik een rigoureuze beslissing maakte, niet tijdens de voorrondes, niet tijdens mijn gesprekken met de anderen, en niet nu, terwijl ik met grote zorgvuldigheid scheikunde toepas op het hoogste niveau, geen ruimte voor vergissingen. Het zal ook niet veranderen. Maar de misselijkheid is minimaal nu, want meer dan bij iets anders bevinden mijn gedachten zich bij de overwinning die ik bijna kan proeven, scherp als hete peper, binnen handbereik als het keukenkastje toen ik eindelijk groot genoeg was om erbij te kunnen.

De klok tikt, maar ik voel een rust zoals ik die niet gevoeld heb sinds neef K. de nieuwgebakken taart in mijn gezicht duwde en lachte en lachte.

Ik hoop dat hij kijkt. Ik hoop dat ze allemaal kijken.

De tijd hier is voor mij buitengewoon leerzaam geweest. Zie je, wanneer je het programma kijkt zul je niet snel denken dat er ongure praktijken plaatsvinden op de achtergrond, want dat is niet wat de camera ons toont, en de camera liegt nooit, of wel soms? De camera vertelt de waarheid. De camera toont ons wat we willen zien.

Het is zo makkelijk om voor de camera te liegen.

De presentatrice telt af met enthousiasme. Ik zie dat ze geniet van onze paniek. Nu ja. Hun paniek, niet de mijne. Het is zo stil in mijn hoofd, het is fantastisch, waarom heb ik dit niet eerder bedacht? Iedereen kijkt naar elkaar met afgunst en haat, als ze niet volledig zijn gefocust op hun tot mislukken gedoemde creaties. Ik voel me mijlen van hen verwijderd. Er staan sterrenstelsels tussen ons in, lichtjaren. Ik voel me een zwart gat, ze zullen me niet zien aankomen. Bijna klaar.

Mijn scheikundeleraar vertelde ons ooit een amusant verhaal over hoe gemakkelijk het zou zijn om een dodelijke gasbom in elkaar te knutselen op het metrostation. Iedere zichzelf respecterende scheikundige zou het kunnen, zei hij, met de passie van een echte vakman. Ik ben er zeker van dat hij een geheim tweede leven leidt als James Bond Supervillain. Ik meen het. Ik heb op zijn computer ingebroken, die bevat verscheidene documenten betreffende wereldovername. Maar ik dwaal af.

Ze zijn aan het testen nu. De dikke man glimlacht als een boer met kiespijn en zegt iets passief-aggressiefs waar ik mij niet voor interesseer. Mijn handen voelen zweterig nu, maar mijn hart is kalm. Breekt het zweet de zwarte gaten uit wanneer een ongelukkige komeet richting hun zwaartekracht komt? Ik vraag me af hoe ik eruit zie, in mijn zwarte shirt met Cercei’s beeltenis. Ergens flikkert er een lamp, en ik voel me onmiddellijk kalmer. Goed. Ik ben het spook dat ik altijd was. Ze zullen me nooit zien aankomen. Ze zullen me nooit zien aankomen.

De lamp flikkert, en flikkert, en dan loop ik naar voren. In mijn ooghoeken geeft de lamp het voorgoed op. Ik glimlach.

Ik ben dol op scheikunde.

Atoms

I wanna claw at myself and pluck myself apart atom by atom

then rebuild myself:

a tree

a flower

a stone to hold a roof over one’s head

 

I want to return to the stardust I was made from

then rebuild myself:

a star

a planet

maybe just a small comet

 

save me from myself

turn my name into an anagram:

A L I E N N

I don’t wanna be from here

 

And turn that whispering voice in my head

into a novel

into a story

into a ghost maybe

 

I don’t wanna be this

I don’t wanna be me.

Naar huis

Heb je het een beetje kunnen verliezen, de weg bedoel ik,
dat is nog een hele uitdaging, is het niet
De weg vinden, dat is niet zo moeilijk, je klampt als een anemoon
een voorbijganger aan
en zegt: pardon, excuus, ik ben de weg verloren
en ze wijzen je met vriendelijke vingers tot je hem weer vindt

Maar de weg verliezen. Dat is me toch wat.
De weg zo hartgrondig, hartstochtelijk verliezen
alsof je met je ogen dicht hebt gelopen, en dan nog
ergens staan en zeggen: mooi. Ik ben ‘m kwijt. Daar zijn we vanaf.
Alle wegen leiden immers naar huis, juist
als je daar niet wilt zijn.

Kat > Tas

Ik zag een kat in de tas, misschien was de tas even een kat
zoals die doos met die kat die al dan niet dood is, of weet ik veel
hoe het in elkaar zat, het is vreemd want we hebben geen kat.
Ik had over een kat gelezen. Daar kwam het van.

De tas lijkt niet op een kat, hij is groen met blauw en wit, de dag dat ik een groen met blauw
en witte kat zie zal een gelukkige zijn.
Ik weet niet wat het was. Maar het was een kat,
en nu is het een tas.

Ontmoetingen

ONTMOETING I

Park dag boom bank bloem pad gras
leeg eend hond riem blad blad blad
eikel hallo hallo hallo
lang niet gezien

lucht dag lach hoe gaat het oké
jij ik och goed druk stilte
ongemakkelijke lach auto rijbewijs stilte
kamer stad stilte
schrijven stilte

je bent geen spat veranderd
stilte.

ONTMOETING II

We lopen rond over de vele vele blaadjes
De herfst kijkt niet via pompoenen, ’t is hier
verdorie geen Amerika, één feestje was genoeg
heb je de pepernoten al gezien? Belachelijk. Nog veel te vroeg.

De neus van mijn schoen
Houd van blaadjes; jij van kastanjes.
Wij houden van vroeger, en toen en toen en toen
we elkaar nog kenden.

ONTMOETING III

Hé Lianne! Hier! Hé!
Wat?
Ik zwaai al de hele tijd naar je!
(Schuin hoofd, frons)
We hadden toch afgesproken?
Oh. Oh, ja. Hoi?
Ik herkende je direct, met je haar
Haha. Ja. (Ik jou niet. Oeps.)

ONTMOETING IV

Buiten is het heel raar
Met de zon in de mist en alles
Ik wil je een soort van bellen. Ben je al daar?
Ik moet nog uit de bus en alles
Het duurt nog even.

Ik zit een beetje met mijn bange hoofd
Te zitten, maar ja, ik heb beloofd
dat ik zou komen. Soms moet je praten met mensen.
Het is niet anders.

Het huis uit

Al naargelang het stront stormt of rozen
of katten of honden of neerregenende vissen
of haaien of spinnen of hele fijne regen
of donder en bliksem of wegwaaiende huizen –

al naargelang ik door het donker heen kan kijken
uit bevroren ramen met vastgeroeste sloten
al naargelang thermometers en mensen en winden huilen –

loop ik mijn huis uit op een morgen naar nieuwe onbekende plekken
met of zonder paraplu.